1982
ANNET - EEN NIEUWE ZIEKTE Annet Mooij is hiv- negatief. Dat betekent dat zij niet geïnfecteerd is met het hiv- virus. Zonder het hiv- virus kun je geen aids krijgen. Annet heeft dus ook geen aids. Daarmee valt Annet formeel buiten het kader van dit boek. Onze opdracht, door onszelf opgelegd, om uit ieder jaar vanaf de introductie van aids in Nederland in 1982 te praten met iemand die geïnfecteerd was met het hiv- virus, mislukt al bij het eerste verhaal. We hebben echter een sluitend excuus; geen van de aidspatiënten uit 1982 is nog in leven, en dan houdt het op. Annet omschrijft zichzelf als zelfstandig onderzoekster, gespecialiseerd in medisch historische onderwerpen. In 2004 schreef zij ‘Geen Paniek’, een doorwrocht, prikkelend en bij vlagen ronduit fascinerend verslag over de beginjaren van aids. Dat maakt haar bij uitstek tot de kenner die ons kan terugleiden naar het eerste jaar. Het was met recht van spreken een historisch jaar, 1982. De impact van hiv en aids is tot op de dag van vandaag voelbaar. Ook voor mij persoonlijk is 1982 een jaar dat eruit springt. Ik ontmoet in november mijn partner, met wie ik nu, dertig jaar later, nog altijd samen ben. Het was een fantastisch moment in ons leven, we waren madly in love. We vierden onze liefde uitbundig, groots, 24 uur op een dag; en we waren daarbij niet zelfzuchtig. We lieten heel veel mensen meedelen in ons geluk. Met name leuke jongens mochten altijd langskomen. Acht jaar later wordt ons door Sven Danner in het AMC verteld dat wij beiden positief zijn. “Jullie dragen het virus waarschijnlijk al 6 tot 8 jaar bij jullie”, zei hij. Als je terugkijkt op 1982, wat is dan voor jou hét moment uit dat jaar? “Hét moment van 1982 moet de eerste ontmoeting in het AMC zijn geweest tussen een doodzieke man en Jan van Wijngaarden. Die vond plaats in april. Van Wijngaarden werkte als co–assistent op de afdeling Interne en ontmoette daar een man van 42 jaar die last had van hevige diarree. De man had ook een verschrikkelijke hoest over zich, waarbij hij taai, wit slijm opgaf. In zijn hals, maar later op zijn hele bovenlichaam, bevonden zich paarsachtige tumoren. Dit ziektebeeld zorgde bij van Wijngaarden voor de klik. Hij realiseerde zich meteen: hier is iets ernstigs aan de hand, hier heb ik over gelezen, die nieuwe ziekte in Amerika, die komt nu deze kant op. In die bewuste ontmoeting met deze man herkende van Wijngaarden als eerste in Nederland een aidspatiënt. Dat is het moment, meer nog dan het overlijden van deze patiënt een maand later.” Als we een paar maanden terug gaan, naar het begin van het jaar. Hoe stond Nederland er voor? “Er heerste een wat grimmige sfeer. Er was een economische crisis die zorgde voor een hoge werkeloosheid. Het was het begin van de lange periode Lubbers. Maar het was een crisis op Nederlandse schaal. Er werd ook flink gefeest. Voor homo’s was het een buitengewoon plezierige tijd. Vanaf 1969, toen in Stonewall, een gay bar in New York, homo’s voor het eerst in opstand kwamen en gingen knokken voor hun rechten, was het beter gegaan met de homo emancipatie. In de jaren 70 zette die vooruitgang door. Er is dat decennium een grote sprong voorwaarts gemaakt in de maatschappelijke acceptatie van homo’s.” Toen ik destijds in Amsterdam kwam wonen trof ik daar een grote, uitbundige gay scene. “Begin jaren ’80 bloeide de gay scene als nooit tevoren. Met name in Amsterdam. Het feest onder homo’s was voor velen een openbaring, op alle fronten. Er werd ruig geleefd. De toename in het aantal geslachtsziekten was gigantisch. Daar werd niet te zwaar aan getild. Je slikte een pilletje en je was genezen. Als je twee weken later opnieuw iets had opgelopen, slikte je gewoon je volgende pilletje. Dat feest wilden niemand zich laten afnemen. Homo-organisaties niet, maar ook de deelnemers niet.” Waren er begin 1982 helemaal geen mensen die wisten wat er uit Amerika aan zat te komen? “Het gros van de mensen wist helemaal niets. Er was een heel klein groepje, de specialisten en de mensen die veel in Amerika kwamen, die er enigszins bekend mee waren. Maar Jan van Wijngaarden was echt een uitzondering. Je moet niet vergeten dat men nog niet eens een naam had voor deze ziekte. Het woord aids bestond nog niet. Men sprak nog over homokanker. Het woord aids werd pas later in 1982 geïntroduceerd.” Als zo weinigen op de hoogte waren, hoe goed waren we dan voorbereid op de komst van deze homokanker? “Niet! Een nieuwe ziekte is een nieuwe ziekte, daar is niemand op voorbereid.” Zo klinkt het alsof aids letterlijk uit de lucht is komen vallen!? “Pas als je heel dicht op de materie gaat zitten, zie je dat dat niet helemaal waar is. Die hele aanloop, met die enorme aantallen geslachtsziekten en ook met de hepatitis B- epidemie, zorgde bij sommigen voor een verhoogde waakzaamheid. Er waren mensen die zich daar zorgen over maakten. Maar goed; hepatitis B, gonorroe en syfilis waren geen aids.” En toen was daar ineens van Wijngaarden met zijn doodzieke patiënt in het AMC! Hoe zeker was hij van zijn zaak? “Die eerste patiënt die door van Wijngaarden werd ontdekt, paste in het patroon dat toen over aidspatiënten bekend was. Het waren mannen met heel veel seksuele contacten. Vaak anoniem. Wat van Wijngaarden sterkte in zijn overtuiging was dat deze eerste patiënt viel op Amerikaanse mannen. Een aardige anekdote is het feit dat Van Wijngaarden niet meteen serieus werd genomen op zijn afdeling. Iedere co- assistent ontdekt een nieuwe ziekte, dat is een oude ziekenhuiswijsheid. Daar wordt op de afdeling dan vooral hartelijk om gelachen. Dat was bij van Wijngaarden niet anders.” Maar van Wijngaarden liet zich niet afschrikken? “Hij wilde er echt meer van weten. Hij verzamelde zoveel mogelijk relevant materiaal uit Amerika en las alle wetenschappelijke tijdschriften die over deze nieuwe ziekte geschreven hadden.” Was er enige behandeling mogelijk in 1982? Wat deed men met die eerste patiënten? “De patiënten die binnen kwamen hadden een sterk verminderde afweer. Daardoor werden ze slachtoffer van hele normale virussen, schimmels en bacteriën, die ieder mens bij zich draagt. De patiënten werden behandeld met antibiotica. Dat hielp altijd wel eventjes, maar omdat de afweer zelf niet meer werkte was het altijd maar tijdelijk. Verder keek men vooral toe en vroeg men zich af wat er aan de hand was. Aanvankelijk was iedereen met stomheid geslagen; men stond erbij en keek ernaar hoe mensen dood gingen.” Daar viel niet aan te ontkomen!? “Dat jij nog mensen hebt gevonden uit die eerste jaren die nu nog leven vind ik ongelooflijk. In 1982 waren er alleen maar stervende mensen. En die mensen stierven op een verschrikkelijke manier. De foto’s van die eerste aidspatiënten zijn niet om aan te zien, die waren vreselijk. Die uitgemergelde lichamen, met die plekken en die tumoren... Dan had je ook nog die verschrikkelijke dementie waaraan sommige aidspatiënten leden... Vreselijke ziektebeelden allemaal.” Dat liet weinig ruimte om te twijfelen aan de ernst van de ziekte? “Het werd meteen gezien als een dodelijke ziekte. Dat kon ook niet anders want het was dé manier waarop de ziekte aan het licht kwam: mensen gingen dood, en wel binnen de kortste keren. Hiv- dragers bestonden nog niet. Er was nog geen bloedtest. Het zou nog twee jaar duren voordat men het hiv- virus ontdekte. In 1982 kreeg je geen hiv, je kreeg aids. Dan was je ernstig ziek. Heel anders dan nu. Nu zit er meestal een heel lange periode tussen het moment dat je weet dat je hiv- drager bent en het moment dat je aids krijgt. Als dat moment überhaupt nog komt.” In je boek maak je melding van 5 aidspatiënten in 1982, waarvan er drie datzelfde jaar nog overleden. Weet je wie dat waren? “Het waren alle 5 homo’s. Hemofilie patiënten en drugsverslaafden kwamen pas later. Dit aantal is met terugwerkende kracht bepaald. In het begin werd er natuurlijk nog niets geregistreerd.” Hoe lang duurde het voordat men niet langer toekeek, maar overging tot handelen? “Dat ging vrij snel. Ik vind het eigenlijk opvallend hoe snel de kennis zich verspreid heeft. Je zou kunnen zeggen dat enerzijds men helemaal niet was voorbereid op deze nieuwe ziekte, anderzijds kun je zeggen dat Nederland door de welvaart en de goede medische voorzieningen juist uitstekend was voorbereid. Wat hielp was dat de aantallen in het begin klein bleven. Het had een langzame aanloop. Het ging die eerste jaren om enkele tientallen mensen per jaar. Dat kon in ons systeem uitstekend opgevangen worden.” Hoe reageerde men in de homogemeenschap op aids? Bij hen vielen de meeste slachtoffers. “In eerste instantie wilden homo’s het niet horen. Die hadden begin 1982 zoiets van: ‘wat hebben wij ermee te maken’. Dat die ziekte zich vooral onder homo’s voordeed versterkte die onwil. De tolerantie ten opzichte van homo’s was groot, maar de angst voor een terugval was enorm. Die angst was richtinggevend voor hoe die eerste jaren is gereageerd. Achteraf kun je zeggen; dat was ontzettend overdreven, er is toch niets gebeurd. Maar in 1982 wist nog niemand hoe het zou aflopen. Die homo- emancipatie was nog een pril fenomeen en de komst van aids had iets extreem bedreigends.” Ik maakte zelf deel uit van de feestvierende homogemeenschap. Ik had begin jaren ’80 ook niet echt zin om aids onder ogen te komen. “De eerste jaren was aids in het dagelijks leven nauwelijks zichtbaar en zolang je het niet ziet of niet in je naaste omgeving meemaakt, is het nog relatief makkelijk om het op afstand te houden. Er heerste ook ongeloof en argwaan. Ongeloof over de ernst van de situatie en argwaan over de motieven van de mensen die met angstaanjagende en alarmerende berichten naar buiten kwamen. Men verdacht deze mensen ervan dat zij de homo-emancipatie een halt wilden roepen en een eind wilde maken aan het onbekommerd feestvieren.” Er was weinig goed nieuws in die periode waaraan je je kon vasthouden. “In het begin werd het nieuws alleen maar erger, erger en erger. Toen men een paar jaar later het hiv- virus had ontdekt, dacht men nog dat dit bij lang niet iedereen tot aids zou leiden. Maar het percentage mensen dat van hiv aids kreeg liep alleen maar omhoog, steil omhoog, totdat bleek, zo rond 1988, dat aids zich bij alle hiv- geïnfecteerden zou ontwikkelen. Met AZT was het precies hetzelfde. AZT was het eerste medicijn tegen het virus. Dat leek even iets fantastisch, maar een paar maanden later waren we al weer terug bij af. AZT bleek maar heel kort effectief te zijn. Dat was ook al zo’n domper... Nee, in het begin was al het nieuws slecht.” Maar de introductie van AZT was wat later, midden jaren ’80. Nog even terug naar Nederland in 1982. Hoe reageerde men buiten de getroffen subculturen? “Bepalend voor de reacties was het cultureel maatschappelijk klimaat. Dat was zeker in de grote steden waar de homosubcultuur het sterkst was overwegend links! De norm was vrijheid, blijheid. Geef iedereen de ruimte!” Homo’s werden er niet op aangekeken? “Nee, er was over de hele linie grote vrees voor stigmatisering en discriminatie. Mooi natuurlijk, maar er zaten ook onaangename kanten aan. Mensen die kritisch waren over de gekozen beleidslijn of iets aan de kaak wilden stellen kregen snel het verwijt; jij stigmatiseert, jij discrimineert. Een heel vervelende manier om iemand het zwijgen op te leggen, want daar wil natuurlijk niemand van beschuldigd worden. Er werd sterke morele pressie uitgeoefend op de media. Alles werd door de homogemeenschap scherp in de gaten gehouden. Zodra ergens de ‘promiscue leefstijl’ werd aangevallen of men bijvoorbeeld het woordje homo-ziekte zag staan in een artikel, ging er een brief de deur uit. Daarin werd je uitgelegd dat homo-ziekte het verkeerde woord was. Dat het een stigmatiserend woord was. Er was eigenlijk geen ruimte voor mensen die kritisch waren. Mensen die stelden ‘het feest is uit de hand gelopen, het is niet gezond om 1000 of 1500 sekspartners te hebben’, of die vonden dat homo’s zich moesten terugtrekken als bloeddonor, die werd al snel de mond gesnoerd. In die linkse cultuur zat een soort zelfgenoegzaamheid. Mensen die het niet met de linkse dogma’s eens waren, vond men al snel klein en bekrompen. Het was een heel ideologische tijd.” Hoe reageerde men vanuit de politiek op deze nieuwe ziekte? “Zeer welwillend. Het ministerie heeft zich de eerste jaren voornamelijk laten leiden door het coördinatieteam. Dat bestond heel snel en kreeg in ’83 al een officieel karakter. Dat team bestond naast Van Wijgaarden uit Hans Moerkerk en Roel Coutinho. Ondanks ieders eigenaardigheden en hun grote ego’s was er die eerste jaren een sterk gevoel van saamhorigheid. Er was een heldere taakverdeling, dat hielp, en men respecteerde elkaar.” We zullen met elkaar deze klus klaren, dat gevoel? “Nee, er was absoluut geen gevoel van overmoed. Nee, nee! Dat zou ook onterecht zijn. Er was veel meer een soort grafstemming Hoe erg gaat dit worden Waar houdt dit op? In 1982...” Was er paniek? Was men bang dat men het niet aankon? “Er was... er was... Ja... ja.. De paniek moest onderdrukt worden die eerste jaren. Die laaide zo nu en dan op. Toen Coutinho bijvoorbeeld voor het eerst hoorde dat in Afrika ook heteroseksuelen op grote schaal besmet raakten werd het hem zwart voor de ogen. Hij kreeg te maken met een epidemie waarvan hij niet wist waar die eindigen zou. Toen was er wel vrees voor een echte damdoorbraak.” Maar die is onder heteroseksuelen uitgebleven! “Onder heteroseksuelen wel, maar onder homoseksuelen niet. Er werden in de jaren ’80 en begin jaren ’90 grote slachtingen aangericht. Als je een homoseksuele kennissenkring had was het vreselijk.” Als je terug kijkt op 1982, wat is dan het meest kenmerkende van dat jaar? “Het kenmerkende was dat er zo weinig bekend was. Als je 1982 gaat invullen met de kennis van nu haal je juist het kenmerkende van 1982 eruit. Je kunt er allerlei dingen over zeggen, maar het specifieke van 1982 is dat men bijna niets wist. Het meeste van wat we weten over 1982 is kennis die we later verworven hebben.” En die eerste patiënt, realiseerde hij zich wat er met hem aan de hand was? “Van Wijngaarden vermoedde dat de man wist wat hem te wachten stond. De man viel exclusief op Amerikaanse mannen en las Amerikaanse bladen. Daar stond natuurlijk van alles in. Van Wijngaarden vertelde me dat de man echt bang moet zijn geweest. Heel bang.” Annet Mooij is hiv- negatief. Dat betekent dat zij niet geïnfecteerd is met het hiv- virus. Zonder het hiv- virus kun je geen aids krijgen. Annet heeft dus ook geen aids. Daarmee valt Annet formeel buiten het kader van dit boek. Onze opdracht, door onszelf opgelegd, om uit ieder jaar vanaf de introductie van aids in Nederland in 1982 te praten met iemand die geïnfecteerd was met het hiv- virus, mislukt al bij het eerste verhaal. We hebben echter een sluitend excuus; geen van de aidspatiënten uit 1982 is nog in leven, en dan houdt het op. Annet omschrijft zichzelf als zelfstandig onderzoekster, gespecialiseerd in medisch historische onderwerpen. In 2004 schreef zij ‘Geen Paniek’, een doorwrocht, prikkelend en bij vlagen ronduit fascinerend verslag over de beginjaren van aids. Dat maakt haar bij uitstek tot de kenner die ons kan terugleiden naar het eerste jaar. Het was met recht van spreken een historisch jaar, 1982. De impact van hiv en aids is tot op de dag van vandaag voelbaar. Ook voor mij persoonlijk is 1982 een jaar dat eruit springt. Ik ontmoet in november mijn partner, met wie ik nu, dertig jaar later, nog altijd samen ben. Het was een fantastisch moment in ons leven, we waren madly in love. We vierden onze liefde uitbundig, groots, 24 uur op een dag; en we waren daarbij niet zelfzuchtig. We lieten heel veel mensen meedelen in ons geluk. Met name leuke jongens mochten altijd langskomen. Acht jaar later wordt ons door Sven Danner in het AMC verteld dat wij beiden positief zijn. “Jullie dragen het virus waarschijnlijk al 6 tot 8 jaar bij jullie”, zei hij. Als je terugkijkt op 1982, wat is dan voor jou hét moment uit dat jaar? “Hét moment van 1982 moet de eerste ontmoeting in het AMC zijn geweest tussen een doodzieke man en Jan van Wijngaarden. Die vond plaats in april. Van Wijngaarden werkte als co–assistent op de afdeling Interne en ontmoette daar een man van 42 jaar die last had van hevige diarree. De man had ook een verschrikkelijke hoest over zich, waarbij hij taai, wit slijm opgaf. In zijn hals, maar later op zijn hele bovenlichaam, bevonden zich paarsachtige tumoren. Dit ziektebeeld zorgde bij van Wijngaarden voor de klik. Hij realiseerde zich meteen: hier is iets ernstigs aan de hand, hier heb ik over gelezen, die nieuwe ziekte in Amerika, die komt nu deze kant op. In die bewuste ontmoeting met deze man herkende van Wijngaarden als eerste in Nederland een aidspatiënt. Dat is het moment, meer nog dan het overlijden van deze patiënt een maand later.” Als we een paar maanden terug gaan, naar het begin van het jaar. Hoe stond Nederland er voor? “Er heerste een wat grimmige sfeer. Er was een economische crisis die zorgde voor een hoge werkeloosheid. Het was het begin van de lange periode Lubbers. Maar het was een crisis op Nederlandse schaal. Er werd ook flink gefeest. Voor homo’s was het een buitengewoon plezierige tijd. Vanaf 1969, toen in Stonewall, een gay bar in New York, homo’s voor het eerst in opstand kwamen en gingen knokken voor hun rechten, was het beter gegaan met de homo emancipatie. In de jaren 70 zette die vooruitgang door. Er is dat decennium een grote sprong voorwaarts gemaakt in de maatschappelijke acceptatie van homo’s.” Toen ik destijds in Amsterdam kwam wonen trof ik daar een grote, uitbundige gay scene. “Begin jaren ’80 bloeide de gay scene als nooit tevoren.


